Essays en lezingen

Gelijkheid raakte ondergeschikt

Over autonomie en gelijkwaardigheid in het eerste scheppingsverhaal en macht in het tweede scheppingsverhaal – en de dominantie van het tweede scheppingsverhaal in ons moderne mensbeeld, wereldbeeld en godsbeeld.

De bijbel kent twee scheppingsverhalen. Beiden zijn te vinden in het boek Genesis, hoofdstuk 1 t/m 3 . Deze twee verhalen staan dicht op elkaar in de bijbel, maar herbergen bij nadere bestudering grote verschillen. De twee teksten spreken beiden over de schepping van de mens, maar hebben hele andere implicaties voor ons mensbeeld, wereldbeeld en godsbeeld. In een samenleving waarin vaak wordt gerefereerd naar haar Joods-Christelijke wortels, en het feit dat de Genesis-verhalen ook terug te vinden zijn in de Torah, is het van belang om ons bewust te worden van de verschillen tussen deze teksten en haar implicaties voor ons denken over gelijkheid tussen man en vrouw en maakbaarheid van de samenleving.

Dieuwke van der Wal

De twee scheppingsverhalen
Het eerste scheppingsverhaal is te vinden in Genesis 1 tot en met 2:4. Dit is het verhaal over God die de aarde schiep in zes dagen. Hij creëerde de hemel en de aarde, het licht, scheidde gewelven van water en creëerde zo land, zee en hemel. Er kwam jong, zaaddragend groen, sterren aan de hemel, een dag en een nacht, en het wemelde van levende wezens. Uiteindelijk zei God zelfs: “Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken” (NBG, 2004, p. 6). God schiep hen, “als evenbeeld van God schiep hij hen, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen” (NBG, 2004, p. 6). Hij maakte hen heersers over de aarde en alles wat leeft, “en hij zag dat het zeer goed was” (NBG, 2004, p. 6). En de zevende dag nam God rust. Het tweede scheppingsverhaal beslaat de paragrafen Genesis 2:5 tot en met 3. Hierin groeide er in het begin nog geen plant of struik op de aarde, er was alleen land en water. God schiep de mens uit het stof van de aarde en blies hem levensadem in de neus. God legde in Eden een tuin aan en plaatste de mens daarin, om over de tuin te waken en hem te bewerken. Hij hield hem voor dat de mens van alle bomen mocht eten, behalve van de boom van kennis over goed en kwaad, want dan zal de mens onherroepelijk sterven. Later dacht God: “Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past” (NGB, 2004, p. 7). Al het vee, alle vogels en alle wilde dieren kwamen, maar ze bleken geen goede helpers. Daarop liet God de mens in diepe slaap vallen, en nam een van zijn ribben weg, waaruit hij, “de heer, een vrouw [bouwde] en hij bracht haar bij de mens. Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen beente, mijn eigen vlees, een die zal heten: Vrouw. Uit een man gebouwd” (NBG, 2004, p. 7). Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij een lichaam wordt”. Ze waren naakt en leefden samen in de tuin. Een slang in de tuin zei tegen de mens en zijn vrouw dat zij wel van de boom van kennis over goed en kwaad konden eten; ze zouden niet sterven en kennis over goed en kwaad verwerven. De vrouw plukte wat vruchten van de boom en gaf ze ook aan haar man. De mensen zagen ineens hun naaktheid en schaamden zich, ook voor God die ’s avonds weer terug in de tuin kwam. Toen God aan de mens vroeg wie hen had verteld dat ze naakt zijn, antwoordde de vrouw dat de slang haar had misleid. God vervloekte de slang, en ook de vrouw en de mens. Hij maakte de zwangerschap van de vrouw tot een last, en zei: “je zult je man begeren, en hij zal over je heersen”(NBG, 2004, p. 8). De man werd vervloekt omdat hij naar zijn vrouw had geluisterd. Hij moet de rest van zijn leven zwoegen op de akkers om er van te kunnen eten. De mens en zijn vrouw werden sterfelijk gemaakt. En toen dacht God: “Nu is de mens gelijk aan ons geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad” (NBG, 2004, p. 8). Hierop beschermde God de levensboom, zodat de mens in zijn gelijk-zijn aan God niet ook diens onsterfelijkheid zou kunnen verwerven.

Gelijkheid van man en vrouw
In dit eerste verhaal staat het scheppen van de hele wereld centraal. En in het tweede verhaal staat de mens centraal – om precies te zijn de mens en zijn vrouw, want waar de manfiguur consequent met ‘mens’ wordt aangesproken, wordt er naar het vrouwfiguur gerefereerd als ‘vrouw’. In beide verhalen wordt de mens geschapen: in het eerste verhaal gebeurt dat op het einde, waarbij God op de zesde dag zegt dat er mensen moeten zijn ‘zoals ons evenbeeld’, waarbij hij ‘hem’, de mens, schept, zowel mannelijk als vrouwelijk. Hierin is een belangrijk verschil tussen de verhalen te herkennen: in het eerste verhaal zijn de man en de vrouw gelijk aan elkaar. Zij worden tegelijkertijd geschapen, en zij krijgen dezelfde rol toebedeeld: heersers over de aarde en alles wat leeft. In het tweede verhaal wordt de mens aan het begin geschapen. Pas later wordt de vrouw geschapen. En zij wordt niet uit stof gevormd, zoals de mens, maar uit de rib van de mens. Hier wordt in het verhaal normatief – de tekst neemt stelling in over de rolverdeling tussen man en vrouw. Er wordt gesteld dat de mens een helper nodig heeft. Na wat probeersels wordt uiteindelijk de juiste helper geschapen: de vrouw. Na het zien van de vrouw roept de mens uit: “Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen beente, mijn eigen vlees, een die zal heten: Vrouw. Uit een man gebouwd” (NBG, 2004, p. 7). De mens krijgt in de tekst dus de zeggingskracht om de vrouw haar naam en identiteit te geven. Ook zit er een stuk in dat dicteert hoe volwassen mannen en vrouwen met elkaar om horen te gaan. Na het scheppen van de vrouw uit de rib van de mens staat in de tekst: “Zo komt het dat de man zich losmaakt van zijn vader en zijn moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij een lichaam of een vlees wordt” (NBG, 2004, p 7).

De macht van God
De positie van God verschilt in beide verhalen. In het eerste scheppingsverhaal is God veel meer op afstand van de mens dan in het tweede verhaal. God schept de gelijkwaardige mens, man en vrouw, geeft hen het gezag over de aarde en trekt zich terug, waarmee hij een axiale beweging (Ten Kate, 2015) maakt: de beweging van het terugtrekken van de God als meest centrale figuur in een religie. De mens heerst over de aarde, niet God. In het tweede scheppingsverhaal is God nabijer: allereerst zo nabij dat hij hen de levensadem inblaast in de neus, dat is een hele intieme actie. Daarna loopt God door de tuin, net als de mens. En God is daarmee letterlijk op aarde, want de tuin ligt in Eden, in het zuiden, op aarde. Maar gelijkwaardig is het daar niet, in de tuin: De boom van kennis over goed en kwaad staat wel in de tuin, maar daar mag de mens niets van weten. Macht is een belangrijk aspect in de tweede scheppingstekst: God heerst over de mens, en de mens heerst over de vrouw.

Godsbeeld
Een ander interessant verschil tussen de twee scheppingsteksten is dat er in de eerste tekst ruimte lijkt te bestaan voor een ander godsbeeld dan in de tweede tekst. In de eerste tekst staat: “God zei: Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken” (NBG, 2004). Dat roept vragen op. Waarom staat er: “God zei”? Tegen wie praat God dan? En wie is die “wij” waar hij het over heeft, en de “ons”, op wie de mensen zullen lijken? Godsdienstwetenschapper Ellen van Wolde (2009) kan helpen hier een antwoord op te formuleren. Zij heeft een uiteenzetting geschreven waarin ze betoogt dat het Hebreeuwse woord Bara, wat wordt vertaalt met ‘scheppen’, niet ‘scheppen’ maar ‘scheiden’ betekent. Ze voert hier taalkundige en vergelijkende tekstuele argumenten voor op. Het vertalen van Bara door ‘scheiden’ heeft enorme implicaties voor de bijbeltekst: De aarde wordt niet geschapen maar gescheiden, wat betekent dat er al iets moet zijn geweest voordat God intervenieerde. Daarmee verdwijnt het concept ‘creatio ex nihilo’, de schepping uit het niets. Van Wolde spreekt over een ‘creatio prima’, een eerste schepping van een aarde, waarbij de watermassa’s worden gescheiden en de aarde op zuilen wordt geplaatst. Van Wolde ziet in het feit dat God spreekt, en spreekt over ‘laten wij’ en ‘ons’, kan duiden op het feit dat er sprake is van een oppergod naast meerdere goden. Dit is in de Hebreeuwse bijbel geen onbekend verschijnsel, in de vorm van het opvoeren van hemelse vergaderingen met een groep niet nader gedifferentieerde mannelijke wezens rond God (Van Wolde, 2009). In de tweede scheppingstekst wordt er consequent over ‘God’ -enkelvoud- gesproken. Deze God handelt alleen en spreekt niet. God maakte, hij legde, hij bracht, maar hij zei niets tijdens het scheppingsproces, kunnen we lezen in de tekst. God spreekt pas op het moment dat de mens en hij samen in het hof van Eden zijn.

Implicaties van deze twee scheppingsverhalen
Zogezien staan in het eerste verhaal staan noties van autonomie en gelijkwaardigheid centraal, waar in in het tweede verhaal noties van hiërarchische macht van God over mens en man over vrouw dominant zijn. Wanneer we kijken naar ons moderne mensbeeld, wereldbeeld en godsbeeld, en beschouwen hoe de scheppingsverhalen wortels bieden voor deze beelden, dan kan geconcludeerd worden dat de noties uit het tweede scheppingsverhaal dominant zijn. De wijze van het scheppen van de vrouw uit het tweede verhaal is de wortel van ‘hoe het hoort’ in genderrolverdeling en relaties tussen man en vrouw: De vrouw wordt uit de rib van de man geschapen. Zo komt het dat de man zich losmaakt van zijn vader en zijn moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij een lichaam of een vlees wordt. Dit beeld leeft op meerdere manieren door in onze cultuur: voor sommigen als concept dat alleen de man en de vrouw bij elkaar horen, voor anderen als concept dat mensen niet alleen horen te leven, maar relaties en huwelijken met elkaar aan horen te gaan. Ons moderne mechanisch wereldbeeld waarin wij de natuur naar onze hand kunnen zetten heeft veel weg van hoe God de Tuin van Eden schiep en de mens de natuur tot zich nam tegen de wetten in. De vrouw zette met de plukbeweging letterlijk de natuur naar haar hand. Ook biedt het tweede scheppingsverhaal wortel voor een negatief mensbeeld. Het tweede scheppingsverhaal is het begin van wat het mensbeeld in het christendom domineert: het concept van de erfzonde. Wij mensen zijn erfelijk belast met zonden, omdat de mens en zijn vrouw niet van de verboden vrucht af konden blijven. En de nabijheid van God, zoals deze terug te lezen is in het tweede verhaal, is vormend geweest voor ons moderne godsbeeld. Primair is dat godsbeeld terug te zien in de triniteitsleer met Jezus als halfgod en God als zijn vader, en daarmee vader van alle mensen. Maar het idee van de verwevenheid van mens en God is ook in onze huidige samenleving terug te zien in de centraalstelling van de mens als heer en meester over zijn eigen leven en de wereld, en de focus op haar vermogens tot maakbaarheid en macht als voorwaarden voor succes in onze samenleving.

Deze analyse laat zien dat de scheppingsverhalen op meerdere manieren te lezen zijn. Het is aan de mens, en de samenleving die wordt gevormd door mensen, om te kiezen welke boodschap we prevaleren. De analyse laat ook zien dat de bijbel een waardevolle bron voor doordenking van maatschappelijke verandering kan zijn, wanneer we meer focussen op de lessen uit het eerste scheppingsverhaal en kritisch reflecteren op de waarden die centraal staan in het tweede scheppingsverhaal.

Literatuur:

Kate, L. ten (2015). Sacraliteit en Seculariteit. Over de complexe relatie tussen humanisme en religie. Brussel: VUB Press

NBG (2004) –De Nieuwe Bijbelvertaling – Bijbel met deutercanonieke boeken, uitgeverij NBG Heerenveen, Katholieke Bijbelstichting, ’s Hertogenbosch

Wolde, E. van (2009). Terug naar het begin. Inaugurale rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Exegese van het Oude Testament en Bronteksten van het Jodendom aan de Faculteit der Theologie en Faculteit der Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen op vrijdag 9 oktober 2009.

Gebruikte citaten komen uit De Nieuwe Bijbelvertaling. Ter verificatie van de interpretatie van de bijbelteksten is ook gebruik gemaakt van:

Oussoren, P. (2004) De Naardense Bijbel. Vught: Skandalon

Wolde, E. van (1995) Verhalen over het begin. Utrecht: AnkhHermes