Essays en lezingen

Midwinterlezing HV: Van ‘egoïstisch denken, individueel leven’ naar ‘zelf denken, samen leven’

| Midwinterlezing van het Humanistisch Verbond, op 13 december 2015 |

‘Zelf denken, samen leven. U kent het vast: dit is het credo van het Humanistisch Verbond. In dit ideaal wordt omvat waar het humanisme als levensbeschouwing, als sociaal-politieke beweging en als waardenkader voor de seculiere mens voor staat: De vrijheid om zelf te mogen denken en je denkvermogen te ontwikkelen, en de plicht om je in te zetten voor een goede samenleving waarin je letterlijk samen-leeft, met ruimte en respect voor elkaars gedachten en overtuigingen.

Als we in overweging nemen dat wij hier in Nederland in een democratie leven, waarvan wordt gezegd dat wij al meer dan 70 jaar in vrede met elkaar samenleven, dan zou je er bijna vanuit moeten kunnen gaan dat ‘zelf denken, samen leven’ een onbetwistbare typologie is van hoe ons samenleven functioneert. Maar ik gebruik niet voor niets de woorden ‘credo’ en ‘ideaal’ wanneer ik spreek over dat ‘zelf denken, samen leven’: Het is een geloofsovertuiging, de uitdrukking van een ideaalstaat, iets om naar te streven. Het zou de kern van de geleefde ervaring in een land als het onze horen te zijn, waar gelijkwaardigheid in de grondwet vastligt en de economische welvaart enorm groot is. Maar de geleefde ervaring van veel mensen is bar anders.

Dieuwke van der Wal

Veel mensen ervaren een onrust in de samenleving die gebaseerd is op gevoelens van grote onzekerheid, die veel verder teruggaat dan de recente aanslagen in Parijs. Mensen maken zich zorgen over de vraag of zij morgen nog wel hun baan hebben, kunnen wonen waar zij wonen, kunnen blijven leven zoals zij deden en kunnen blijven zeggen wat zij vinden. Dat maakt mensen terughoudend en argwanend: naar de economie, de politiek en naar elkaar. En dat maakt dat ‘zelf denken, samen leven’ er tegenwoordig meer uit ziet als: ‘egoïstisch denken, voor jezelf leven’. En dat levert het volgende op: mensen gaan zich lomp gedragen, andersdenkenden minachten en zichzelf proberen te verrijken. Mensen laten merken dat ze angstig zijn voor andere mensen en durven geen verbindingen meer met elkaar aan te gaan. Het zorgt voor een cultuur die weinig veerkrachtig is en waarin omgangsvormen worden ontwikkeld die ver van de grondbeginselen van een democratie af staan. Terwijl dat juist is waar het iedereen om te doen is: we willen allemaal ruimte krijgen voor onze eigen ik, we willen gehoord en gezien worden en we willen onszelf kunnen ontwikkelen. Ons collectieve gedrag is dus paradoxaal: Door te doen waarvan we denken dat goed is, creëren we eigenlijk een samenleving die ver af staat van wat we willen. Ons huidige idee van hoe we veranderingen moeten aanbrengen in de samenleving maakt dat we verder af komen te staan van de samenleving die we eigenlijk willen.

Laat ik u het stapsgewijs uitleggen. Culturen zijn de systemen die normen, waarden en identiteit omvatten. Culturen zijn continue in beweging. En dat is goed. Want juist door veranderingen beschermen culturen hun eigen voortbestaan – ze reageren veerkrachtig en vitaal op invloeden van buitenaf en incorporeren deze in hun cultuur. Hierdoor evolueert de cultuur in een nieuwe eenheid, en zo ontstaat er een continue culturele identiteit. Dit is een heel natuurlijk proces, dat we ook waar kunnen nemen in de biologie: systemen die zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden overleven. Darwin heeft het prachtig omschreven in zijn boek ‘The origin of species’. Zo evolueert de wereld en ook het samenleven van mensen. Maar de mens heeft als enige wezen een bewustzijn, waardoor zij kan reflecteren op de samenlevingssystemen die ontstaan en het natuurlijke verloop daarvan kan beïnvloeden. Dat is goed en zinvol, maar het vereist wijsheid en oefening om tot de juiste besluiten te kunnen komen. In culturele systemen, zoals in de politiek of in lokale gemeenschappen, kunnen we zien dat de motivatie voor het inzetten van veranderingsgerichte interventies, vaak is dat men iets wat zij waardevol vinden niet willen zien veranderen. Iets van waarde wordt bedreigd, en om die dreiging af te wenden moet iets worden veranderd. Mensen zijn dus op zoek naar verandering omdat zij verandering willen voorkomen. En maar al te vaak gebeurt het dan dat er dan een veranderingsstrategie wordt ingezet die zo radicaal breekt met het continuüm van de bestaande cultuur, dat de verandering de cultuur beschadigd en er chaos ontstaat. Bijvoorbeeld het tegenhouden van verandering, of het extreem inzetten van een radicale verandering, maakt dat het natuurlijke proces van evolutie beschadigd raakt en stilvalt, dat het uiteenvalt in een niks, en uiteindelijk sterft in een nihilisme. Dat is iets waarvoor men moet waken. Om een stabiele en evoluerende cultuur, identiteit en daarmee samenleving te hebben, is het van belang dat verandering met continuïteit wordt verzoend.

Dit doet me denken aan complexe muziekstukken die een duidelijke identiteit herbergen – daar kunt u het mee vergelijken. Zoals de Canto Ostinato van Simeon ten Holt. De verandering van maten, noten en klanken maakt dat er een herkenbare identiteit ontstaat die continue is en boeit. Als er geen verandering in het stuk zou zijn, en steeds maar een zelfde toon, noot of maat gespeeld zou worden, dan zou de muziek snel niet meer boeien. De aandacht zou wegsterven.

Juist door verandering wordt er een continuüm gecreëerd en het eigen voortbestaan veiliggesteld, of dat nou in bedrijfsvoering, in de kunsten of in de samenleving is, in een land, een buurt of in een gezin. Het geldt voor alle samenlevingssystemen die we hebben.

En nu leven we in een tijd waarin mensen massaal iets –niet- willen zien veranderen, en daarom veranderen zij zelf. Die anti-beweging en de daaruit komende veranderingen gaan allerlei kanten uit. Mensen liggen met elkaar overhoop. Maar tot een stabiele en continue goede samenleving leidt het niet. En dat is ook niet zo gek, gezien de enorme uitdagingen waar wij voor staan als mensen en de actuele bedreigingen die mensen ervaren.

Ik zal nu eerst met u bespreken wat de oorzaken zijn van de radicale onzekerheid waar mensen in leven, die maakt dat zij het gevoel hebben ‘dat er nu echt iets moet veranderen!’. Daarna ga ik bespreken waar men het liefst aan wil blijven vasthouden, en wat men niet wil zien veranderen: ‘onze’ waarden, de ‘vrijheid van meningsuiting’ voorop. Daarna zal ik aan u laten zien waarom juist de dominante invulling van vrijheid van meningsuiting, een kitscherige invulling is van wat vrijheid van meningsuiting eigenlijk is, die twee aan elkaar paradoxale negatieve ontwikkelingen op gang brengt. Vervolgens steek ik de hand in eigen boezem en zal ik een kritiek leveren op het humanisme, waarbij het met dat ‘zelf denken’ wel goed zit, maar het ‘samen leven’ achterblijft. Daarna ga ik op zoek naar antwoorden: Vanuit welke inspiraties zie ik mogelijkheden om het ‘egoïstisch denken, individueel leven’ om te zetten naar een goed, vruchtbaar en doorleefd ‘zelf denken, samen leven?’ En: Hoe kunnen we die inspiraties ook echt in de praktijk brengen, zodat ‘zelf denken, samen leven’ niet alleen een credo en een ideaal is, maar ook een geleefde ervaring in de praktijk wordt, een echte typologie van onze samenleving, nu en in de toekomst?

Uitdagingen van onze tijd
Er zijn verschillende ontwikkelingen die er voor hebben gezorgd dat het ‘egoïstisch denken, individueel leven’ sterker lijkt te zijn dan het ‘zelf denken, samen leven’. De twee belangrijkste oorzaken van deze ontwikkelingen spelen zich allereerst af op het toneel van levensbeschouwing en moreel denken, welke ik typeer als het probleem van de zelffundering. De tweede oorzaak betreft de politieke ontwikkelingen van kolonisatie en inmenging van het westen in de besturen van landen in Afrika en het Midden Oosten. Hierdoor is een machtsvacuüm ontstaan, waarbinnen een religieus radicalisme zich heeft kunnen ontwikkelen. Dat brengt grote stromen vluchtelingen op gang. Dit zorgt samen voor de radicale onzekerheid die veel mensen ervaren.

Eerste uitdaging: Het probleem van de zelffundering
Het eerste grote probleem waar onze samenleving mee te kampen heeft, is dat mensen zelf niet meer weten hoe ze om moeten gaan met ingewikkelde vragen rond solidair leven en goed handelen. We leven in een cultuur waarbij de mens zichzelf volledig moet funderen – er is geen grotere maatgever dan de mens zelf en iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen geluk. En als je leven mislukt? Dan heb je dat aan jezelf te wijten, want volgens het paradigma van de kapitalistische vrije markt is alles mogelijk voor iedereen. De omgang met trage vragen, zoals filosoof Harry Kunneman ze noemt, is iets waar de mens zelf verantwoordelijk voor is. De oplossing van deze vragen gaat traag, omdat er niet zomaar met een test, een snelle meting of een nieuwe gadget uit de winkel een oplossing te verzinnen is. Het gaat hierbij om existentiële vragen als: Wie ben ik? Hoe wil ik leven? En hoe wil ik samenleven? Hoe ga ik goed om met de problemen in mijn gezin, in mijn relatie, in mijn stad en in mijn buurt? Maar het beantwoorden van moeilijke vragen kosten tijd, en die tijd is er vaak niet.

Vroeger was het een vanzelfsprekend onderdeel van de gemeenschap dat er naar antwoorden op zulke vragen werd gezocht. Sterker nog, antwoorden op existentiële vragen waren een gegeven, door de levensbeschouwelijke traditie waar je in leefde en die sterk verweven was met alles wat je deed. De kerk vertelde je exact hoe je hoorde te leven, waar je werkte, wanneer je trouwde en met wie, en goed zorgen voor je naasten was een deugd. Het leven was dan wel niet heel vrij, maar wel heel helder. Je richting en de zin van je leven werd je gegeven.

Het christendom gaf zogezegd een groot, maatgevend verhaal voor het individuele leven. Maar de religie als maatgever van ons handelen is enorm gemarginaliseerd sinds de opkomst van de moderne tijd vanaf 1500, met de Verlichting als nieuwe fase in de cultuurgeschiedenis die geloof in de menselijke rede op de voorgrond plaatst, de snelle ontwikkelingen in technologie en wetenschap en de opkomst van het kapitalisme als systeem van een vrije markt voor productie, consumptie en vergroting van rijkdommen die uitgedrukt worden in geldwaarde, in kapitaal. De kerk blijft bestaan als instituut, maar bezit niet langer politieke en sociale macht. Die ontwikkelingen wordt door velen als vooruitgang bestempeld. Maar op het vlak van solidariteit en morele betrokkenheid lijkt van vooruitgang nauwelijks sprake, merkt Kunneman op.

Kunneman analyseert dat de secularisering en de centraalstelling van de individuele vrijheid en de autonomie van de mens heeft geleid tot een cultuur van ‘dikke ikken’, een begrip dat u misschien nog wel kent omdat de VVD er een tijd geleden in de media mee aan de haal ging. De moderne mens wil steeds meer consumeren, eist erkenning voor zijn handelingsvrijheid en respect voor zijn hoogst individuele opvattingen en verlangens. Mensen zien zich steeds weer gedwongen om anderen te overstemmen en opzij te duwen om ruimte te scheppen voor het eigen standpunt. Daarbij stuit de moderne mens constant op de voortdurende incompetentie en de domheid van de ander: individuen, groepen en hele culturen worden door het dikke ik als achterlijk bestempeld.

De oprichter van het Humanistisch Verbond, Jaap van Praag, maakte zo’n 70 jaar eerder een soortgelijke analyse. Jaap van Praag was een niet-praktiserende Jood die tijdens de tweede wereldoorlog ondergedoken zat. Tijdens zijn onderduiktijd vroeg hij zich af: Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Waarom verraden en vermoorden mensen elkaar, terwijl ze vroeger als goede buren samenleefden? Waarom zijn mensen zo vatbaar voor de verleidingen en de beloftes van de nazi’s? Zijn antwoord was: De meeste mensen zijn te weinig weerbaar tegen al die verleidingen. De oorzaak van dat gebrek aan weerbaarheid zag Van Praag in het ontbreken van een duidelijke levensbeschouwing, een houvast biedende moraal of een motiverende inspiratie. Kortom: er was een gebrek aan echte levensbeschouwing. Van Praag noemt dit ontbreken van een levensbeschouwing ‘nihilisme’: dat betekent dat je nergens waarde aan hecht. En dat nihilisme, het gebrek aan echt besef van wat voor jou ten diepste waar en waardevol is, maakt mensen vatbaar voor de waan van de dag. En uit die vatbaarheid van de waan voor de dag kunnen de meest gruwelijke dingen ontstaan, zag hij in de tweede wereldoorlog. Mensen moesten dus weer leren wat van waarde voor hen is. Dit moeten mensen leren via levensbeschouwelijke kaders. Het maakte Jaap van Praag in principe niet eens uit welke levensbeschouwing dit was, christelijk, humanistisch of iets anders. Maar hij zag wel dat de christenen duidelijke sterke kaders hadden waarbinnen ze die waarden weer konden gaan onderzoeken en versterken voor alle gelovige mensen, binnen de katholieke en protestantse kerken. Maar de ongelovige mensen, de buitenkerkelijken, die waren helemaal niet verenigd. En dat moest veranderen, vond Van Praag, anders dan konden zij nooit een stevige, goede beschouwing op het leven ontwikkelen. Dus, nadat de tweede wereldoorlog was afgelopen, richtte hij met een paar gelijkgestemden het Humanistisch Verbond op waarbinnen morele waarden op seculiere gronden kunnen worden doordacht. Juist de focus op levensbeschouwing werd een succes maar ook het probleem van het Humanistisch Verbond: met het loslaten van de levensbeschouwelijke zuilen worden levensbeschouwelijke organisaties door maar weinig mensen als relevant erkend en de humanistische praktijk van geestelijke weerbaarheid maar door weinig mensen actief gepraktiseerd.

Tweede uitdaging: Politieke ontwikkelingen en migratiestromen
Maar juist in Jaap van Praags pleidooi voor geestelijke weerbaarheid zie ik een notie die het humanisme ontzettend actueel maakt in de huidige tijd. Zijn analyse van de vatbaarheid van mensen zonder doorleefd normen- en waardenkader voor nihilisme en populisme sluit naadloos aan bij wat ik analyseer als het tweede grote probleem in de moderne tijd: De ontwikkelingen op politiek en internationaal toneel, de vluchtelingenstromen die dat op gang brengt en het effect dat dat heeft op het gevoel van onrust en onzekerheid in de samenleving, en vooral de dominante reactie daarop: de roep om bescherming van ‘onze’ waarden en het sluiten van grenzen voor vluchtelingen en de beperkingen van hun mensenrechten. Om met de Amerikaanse historicus Timothy Snyder te spreken: Onze wereld staat niet ver af van die van het Duitsland van net voor de tweede wereldoorlog. Nu, anno 2015, zijn vluchtelingenstromen van gelijke omvang op de been. Op verschillende plekken storten staatsstructuren ineen, vaak door inmenging van Westerse machten. Deze staatsstructuren worden niet hersteld naar een stabiele situatie en de westerse mogendheden of verantwoordelijken verlaten het land. Er ontstaat een machtsvacuüm, waar in Afrika en het verdere Midden Oosten religieuze fundamentalisten in springen. Dit levert enorme stromen vluchtelingen op, en beelden in de media van gewelddadige groeperingen die uit naam van de islam gruwelijke daden verrichten. De Nederlander hoort en ziet deze verhalen, en ziet mensen vanuit deze gebieden naast hem komen wonen, eerst in sporthallen, daarna in asielzoekerscentra en uiteindelijk als zijn buurman in een sociale huurwoning. Deze Nederlander roept om uitleg en de politiek zegt: Wij weten het ook niet, dit overkomt ons! Snyder stelt dat dat duidt op een enorm gebrek aan historisch besef: ‘Dit overkomt Europa niet, Europa is hier schuldig aan’. Maar veel mensen hebben dat niet door. Dat levert een slachtofferperspectief onder westerlingen op: mensen snappen niet waarom hier grote stromen vluchtelingen naartoe komen en willen ze niet opvangen. Het dringt niet door dat het voor een grote groep vluchtelingen gaat om ‘overleven’ in plaats van zoeken naar een ‘beter leven’. En dat onbekende leidt tot onbemind zijn: mensen zien terroristen, profiteurs en armoedzaaiers, in plaats van mensen.

Vrijheid van meningsuiting als hoogste waarde
De uitholling van een maatgevend waardenkader die gepaard is gegaan met de modernisering en de secularisering maakt dat de mens zichzelf moet funderen, maar niet goed weet op basis waarvan. Dat maakt de mens onzeker. Ze weet wel dat de vrijheid die zij verworven heeft, een afwijzing van de religie en politiek denken op basis van religie met zich meebrengt. Dus alles wat samenhangt met religie, wordt gezien als een bedreiging van dat wat als hoogste waarde wordt gezien in onze westerse, democratische samenleving: de vrijheid van meningsuiting. Zoals Kunneman al zei: het moderne, autonome individu eist constante erkenning van zijn handelingsvrijheid en respect voor zijn individuele verlangens, waarbij hij deze constant kenbaar maakt. Leren omgaan met het feit dat de wereld niet maakbaar is, en dat ons soms dingen overkomen die ons radicaal uit het lood slaan, hebben we niet. En ons ongenoegen over het radicale anders-zijn van de ander willen we constant kenbaar maken aan elkaar. We beroepen ons daarbij op onze vrijheid om onze mening te uiten: Ik mag denken wat ik vind, en zeggen wat ik denk. Dat is verankerd in de grondwet.

Het probleem van het begrip van de vrijheid van meningsuiting
Ik heb laten zien dat er geen wetgevende moraal is die de mens de maat neemt, dus de mens moet zichzelf de maat nemen. Dat maakt dat de mens in principe vogelvrij is om te zeggen wat hij denkt. Dat heeft tot twee ontwikkelingen geleid, die paradoxaal aan elkaar zijn: aan de ene kant maakt het de toon van het debat soms oorverdovend grof. Want alles kan, dus alles mag en moet zelfs gezegd worden. En aan de andere kant brengt de vrijheid van meningsuiting een radicale inperking van wat ik zou noemen ‘echte’ vrijheid van meningsuiting met zich mee. De Franse filosoof Alain Badiou heeft dit op zeer treffende wijze geformuleerd in een vernietigende kritiek op het functioneren van de parlementaire democratie anno nu, in zijn Tweede manifest voor de filosofie. Badiou stelt dat de democratie slechts komedie, is, omdat zij zich laat heersen door de publieke opinie. De opinie, stelt Badiou, is dat wat men koestert, wat men koopt, maar wat niet kan bestaan. Badiou, een Fransman, stelt dat men geen waarde moet hechten aan de opinie omdat zij de werkelijkheid nooit kan weerspiegelen. Dat is zo omdat ‘De Fransen’ – of ‘De Nederlanders’ op geen enkele manier een samenhangend subject vormen, en daarom nooit in staat zullen zijn om wat dan ook ‘te menen’. Badiou zegt dat een consistente weergave van een opiniepeiling zou moeten zijn: ‘Volgens onze laatste meting en na aftrek van de onmiddellijke effecten van de stomme vraag die we hun gesteld hebben, gaat de opinie van zoveel procent Fransen in de ene richting, die van zoveel procent in een andere richting en gaat die van zoveel procent geen enkele kant op’. Hij maakt zich zorgen om het gezag dat de publieke opinie heeft. Tegen het gezag van de opinies is geen goede governace mogelijk. Tegen de opinie kan de politiek geen weerwoord bieden. Opiniëren is heersen.

Daarnaast verwoordt Badiou treffend de werkelijke aard van de vrijheid van meningsuiting, zoals deze functioneert in onze moderne samenleving. Omdat de opinie beperkt is in wat zij daadwerkelijk kan weerspiegelen, is de vrijheid van meningsuiting meestal het recht om dat wat domineert, te herhalen. Dat is dus een enorme tegenstelling met wat vrijheid van meningsuiting behoort te zijn: het betreft de vrijheid, het vrij zijn, om te uiten wat door het eigen denkproces tot stand is gekomen. Maar feitelijk is er alleen ruimte voor herhaling van een werkelijkheid die gevormd wordt door de dominante opinie, die op basis van een ongecontroleerde zelffundering tot stand komt en waar weinig ruimte is voor kritiek of zelfreflectie.

Een voorbeeld van de werking van vrijheid van meningsuiting en de bijziendheid voor de onvrijheid die dat met zich meebrengt was bijvoorbeeld te zien op een inspraakavond over de komst van een mogelijk opvangcentrum voor asielzoekerscentrum in Steenbergen. Aan de democratische voorwaarden is voldaan: Er is sprake van een mogelijkheid tot inspraak en dialoog via deze inspraakavond. Maar vervolgens barst het feest van het vrije woord los: Ieder geluid dat tegen de heersende opinie ingaat wordt overstemd. Een vrouw is zo moedig om zich als enige uit te spreken voor de komst van een asielzoekerscentrum. Tijdens haar inspreekmoment wordt ze overstemd door tegenstanders, die de tekst ‘Daar moet een piemel in’ scanderen. Even later maakt een andere tegenstander zich in zijn inspreekmoment zorgen over de vraag of de asielzoekers zich wel kunnen aanpassen aan onze normen en waarden. Ik weet niet wat deze situatie bij u oproept, maar bij mij brak mijn klomp, omdat de tegenstanders net hadden laten zien en horen wat onze normen en waarden dan in de praktijk blijkbaar inhouden.

Stellingnemende samenvatting
De invulling van vrijheid van meningsuiting is een kitscherige invulling van waar vrijheid van meningsuiting over hoort te gaan en verdient deze naam niet – leren we van Badiou. De dominante opinie en de waarde die daaraan wordt toegekend door individuen, media en politici houdt de samenleving in een houdgreep die er voor zorgt dat de waan van de dag dominant is, waardoor voorstellen voor veranderingen steeds radicaler worden en niet samenvallen met het continuüm van onze cultuur, waardoor deze steeds verder beschadigd raakt want leidt tot minder en minder mogelijkheden voor mensen om zich te identificeren met cultuur, leert het perspectief van de natuurlijke verandering ten behoeve van voortbestaan ons. De manier van leven door het Dikke Ik is een schande voor de uitwerking van de noties van de autonomie van de mens en de centraalstelling van de ratio als bron van kennis zoals verlichtingsdenkers dat hebben gedaan, stelt Kunneman. Het gebrek aan geestelijke weerbaarheid maakt ons vatbaar voor nihilisme, vertelt Van Praag ons, en wanneer we daar historisch besef bij betrekken weten we dat het tijd is om nu te kijken naar hoe we om moeten gaan met deze uitdagingen, aldus Snyder. Ze verdienen onze tijd en onze prioriteit.

Naar ‘zelf denken, samen leven’
Goed, het is een tragisch beeld wat ik u hier schets. Dat geef ik toe. Tot nu toe heb ik mij alleen bezig gehouden met de bronnen van de ervaring van onrust in de samenleving en de achterliggende oorzaken van het overwinnen van het ‘egoïstisch denken, individueel leven’ op het ‘zelf denken, samen leven’ wat ik waarneem. Nu wil ik gaan verkennen hoe we de hier aangezette tragiek dan omzetten naar een ‘zelf denken, samen leven’. Deze zoektocht start ik bij Badiou. Badiou stelt dat er nieuwe denkactiviteit nodig is in de vorm van een arbeidsproces. Het denken moet worden geherwaardeerd als zwaar werk, en niet als zelfexpressie. Het is op zoek gaan naar een proces, de productie van idee, discipline, en niet naar achteloze instemming met de proposities van een wereld. Die term van denken als zelfexpressie sluit aan bij wat Kunneman het Dikke Ik verwijt: de constante verbale opeising van de erkenning voor de eigen individuele drift.

Badiou’s herwaardering van denken, of dat wat filosofie echt is volgens hem, moet volgens hem doorgevoerd worden in vier domeinen van onze maatschappij: de wetenschap, de kunst, de politiek en de liefde. Deze vier domeinen zijn in de moderne tijd vervangen door techniek, cultuur, beheer en seks. Deze vier domeinen moeten worden herplaatst in de hedendaagse geschiedenis, zegt Badiou. Dat kan, door ze zwaar te doordenken. Zo wordt hun werkzame autonomie hersteld in onze samenleving. Vanuit daar kunnen de herstelde wetenschap, kunst, politiek en liefde weer positieve invloed uitoefenen vanuit hun ware betekenis.

Het is een mooi begin van het veranderen van de opinie in zwaar denkwerk en het herstel van wetenschap, kunst, politiek en liefde. Maar mijn kritiek op Badiou, en daarmee een kritiek op het klassieke humanisme, hoewel ik er bij moet zeggen dat Badiou voornamelijk communist is en geen humanist, is dat hij vier zeer elitaire domeinen kiest die via de activiteit van het denken te herwaarderen zijn en hun invloed vanuit hun ware betekenis moeten uitoefenen. Met andere woorden: De wetenschap, de kunsten en de politiek en ook de goede liefde is voor veel mensen niet zomaar binnen handbereik. Het valt niet binnen hun directe leefwereld of invloedssfeer. En de focus op het denken is een uitsluitende focus. Er zijn heel veel mensen die niet mee kunnen doen als alleen het centraal stellen van de ratio de wijze is om in verbinding met elkaar te komen.

En juist het zoeken naar die insluiting en daar gebalanceerdheid in vinden is van groot belang. Ik zal niet snel vergeten dat ik in november werd gebeld op de mediaredactie waar ik af en toe werk, door een bezorgde kijker. Hij vertelde mij dat hij dicht in de buurt woont van een noodopvang voor vluchtelingen. Hij is tegen deze noodopvang, omdat de opvang midden in een woonwijk is en meerdere honderden voornamelijk mannelijke vluchtelingen gaat herbergen. Zijn vrouw was bij een inspraakavond geweest en had daar haar bezwaren kenbaar gemaakt. Hij vond dat de tegenstanders van de noodopvang te weinig aan het woord kwamen bij het betreffende medium. Ik vertelde hem dat dat komt vanwege het taalgebruik van de tegenstanders. Wij willen daar als medium geen podium voor bieden. Hij zei toen: ‘Ja, maar mevrouw. Dat is wel de taal van het volk’.

Dit telefoontje heeft me een tijd beziggehouden. Want deze man had een punt. Ongeacht of het goed is of niet, het is een feit dat dit de toon is van het debat. Dit is de taal die mensen onderling spreken. Maar dit is ook de taal die de elite en het klassieke humanisme niet spreekt en dat is een onderdeel van het probleem waarom het ‘zelf denken, samen leven’ nog geen gemeengoed is. Mensen moeten samen tot een taal komen om elkaar te verstaan. Maar hoe communiceer je nou goed met elkaar, als je allemaal anders denkt en andere belangen hebt? Hierbij is de denker Jurgen Habermas behulpzaam. De maatschappij is volgens Habermas uiteengevallen in een systeemwereld en de leefwereld. In de systeemwereld, denk aan bureaucratie en banken, maken de dominante media ‘geld’ en ‘macht’ de dienst uit. In de leefwereld van mensen zoals u en ik regeert het ‘talige’ communicatieve handelen. Geld en macht in de systeemwereld kunnen niet bekritiseerd kunnen worden door het ‘talige’ communicatieve handelen wat zich afspeelt in de leefwereld, simpelweg omdat zij elkaar niet verstaan. Volgens Habermas is de ontwikkeling van geld en macht inmiddels boven onze hoofden gegroeid en zijn er systemen ontstaan waar mensen geen invloed meer op hebben omdat zij ze niet kunnen kritiseren. Harry Kunneman is hier over gaan nadenken en die ziet het anders: hij stelt dat er stukjes van de leefwereld in het systeem zitten en andersom. Die stukjes waarin systeem- en leefwereld elkaar overlappen noemt hij ‘interferentiezones’. Dat zijn de plekken waarbinnen het mogelijk is om elkaar te ontmoeten en contact te maken. Dat is bijvoorbeeld de media, of publieke sectoren. Eenzelfde denkrichting zie ik als oplossing om het verschillende denken tussen ‘intellectuelen’ en ‘het volk’, en ook ‘de nieuwelingen’ op te heffen en een grond te vinden waarop zij met elkaar kunnen communiceren: we moeten op zoek naar de ruimtes waarbinnen zij elkaars taal leren spreken en elkaar kunnen zien.

Maar wat is dan een universele, menselijke ‘taal’? Op grond waarvan kunnen wij altijd met elkaar communiceren en elkaar kritiseren, zonder dat we de behoefte voelen de ander uit te jouwen? Daarvoor wendt ik me af van het klassieke humanisme waarvoor de mens over bepaalde rationele vermogens moet beschikken, maar kom ik ook weer bij het humanisme uit, in haar inclusieve vorm, waarbij het gaat over de emotionele vermogens van de mens om geraakt te worden door de ander. Juist in de ervaring van het anders-zijn van de ander, en de soms ongemakkelijke gevoelens die dat met zich meebrengt, zitten noties om geraakt te worden en elkaar te zien, en zo zin te ontlenen aan het leven. Filosofe Judith Butler beschrijft dit prachtig in haar boek Precarious Life, het kwetsbare leven: Het is een gegeven dat onze levens verwikkeld zijn met de levens van andere mensen, op manieren die we niet kunnen controleren. Wanneer we daarmee geconfronteerd worden brengt dat emoties met zich mee, bijvoorbeeld van woede en rouw. Deze emoties zijn het bewijs dat anderen ons uit onze voegen lichten, of we dat willen of niet. In het ervaren van deze emoties wordt volgens Butler zichtbaar dat door gebeurtenissen en ervaringen met anderen ons zelfbewuste levensverhaal dat we allemaal proberen te vertellen onderbroken wordt, op manieren die precies het idee dat we autonoom zijn, in twijfel trekken. Het toont dat er anderen zijn die invloed hebben op mijn leven. Het laat onze fundamentele afhankelijkheid zien van elkaar. En geen enkele gewelddadige reactie maakt dat je het anders-zijn van die ander kunt beheersen. Juist het vermogen om geraakt worden maakt dat de mens de kans heeft om te reflecteren op dat vermogen – op zijn mens zijn. En daarmee het menselijke van de ander te zien. Het is een radicale confrontatie met het feit dat wat het dominante discours dicteert, niet klopt. Wij mensen zijn niet alleen maar vrij en individualistisch, en onze samenleving is niet superieur, wij zijn kwetsbaar zoals alle mensen. En vanuit die kwetsbaarheid kun je de kwetsbaarheid van de ander zien. Het herinnert ons er aan dat volledige controle nooit een ultieme waarde kan zijn, omdat het simpelweg onmogelijk is.

In de praktijk: goed onderwijs en participatie aan echte ontmoetingen
Maar goed, hoe gaan we deze theorie nou in de praktijk brengen? Het is voor veel mensen een verschrikkelijk onaantrekkelijk idee: je eigen kwetsbaarheid onder ogen moeten komen is pijnlijk. En als alle mensen dan gelijkwaardig zijn, hoe kun je dan toch je eigen waarden hebben en daar aan vast mogen houden? Ik bedoel, niet alles is waardeloos en we hoeven niet allemaal hetzelfde te denken. Hiervoor komen we weer terug bij het ‘zelf denken’: Denken als arbeidsproces zoals Badiou dat voorstelt; een goed doordachte mening kan nooit een foute mening zijn, want is altijd individueel en door het eigen waardenkader geconstrueerd. En de uitkomst van dat arbeidzame denken pas je toe in het ‘samen leven’, wat je kunt doen als je hebt ervaren dat je een radicaal kwetsbaar mens bent en dat anderen dat ook zijn.

Maar dat is niet iets wat je zomaar ‘kan’. Dat moet je leren. Leven is leren leven. Mijn persoonlijke antwoord op de vraag hoe we echt naar een samenleving toe kunnen gaan waarin men zelf kan en mag nadenken en samen kan en mag leven, begint in het onderwijs. Ons onderwijs, van basisschool tot MBO, HBO en universiteit, moet worden ingericht als plek waar de subjectwording van de mens centraal staat. De school is de interferentiezone waarbinnen mensen elkaar kunnen ontmoeten. Een school hoort er zorg voor te dragen dat een leerling gekwalificeerd de verdere studie- of arbeidsmarkt kan betreden. Maar ook hoort de vorming op school er via socialisatie voor te zorgen dat een leerling onderdeel wordt van sociale, culturele en politieke ordes. Daarnaast heeft de school de taak om via subjectwording de ruimte te scheppen voor leerlingen om tot het eigen, unieke zelf te kunnen komen. De school heeft als taak kwalificerings- en socialiseringsprocessen zo te laten verlopen dat elk kind of jongere op zijn eigen wijze in de schoolwereld en de wereld tevoorschijn kan komen: als uniek subject, stelt onderwijsfilosoof Gert Biesta. In het onderwijsbeleid van onze regering en op de meeste scholen wordt die kwalificatie voor de arbeidsmarkt gezien als het belangrijkste leerdoel op school. Ik pleit er voor dat juist de subjectwording, de persoonsvorming van de mens, een centrale rol krijgt, om te leren omgaan met de uitdagingen waar wij als mensen mee te kampen hebben. De school is de leer-leefwereld waarin de mens wordt geleerd goed na te denken en te reflecteren, en zijn eigen kwetsbaarheid en die van de ander te zien als universele basis voor handelen. Ook voor Van Praag was goede scholing van levensbelang, met de focus op weerbaarheid, vorming en menselijke waardigheid. De persoonsvormingstaak van het onderwijs heeft een politieke dimensie. Deze taak verwijst niet alleen naar het individuele proces van het kind of de jongere, maar ook naar de buitenwereld, de samenleving. De wereld waarin het kind wordt ingeleid is een pluriforme wereld. Subjectiviteit bestaat alleen bij de gratie van de ander, dat is wat geleerd moet worden. De initiatieven die we nemen, nemen we altijd ten overstaande van de ander, of het nou om te helen of te kwetsen is. Het is via de ander dat we de gevolgen van onze acties – en daarmee de betekenis ervan – ervaren.

Badiou stelt: Opiniëren is heersen. Als dat zo is, dan is het dus zaak om er voor te zorgen dat burgers in staat zijn om een goede, evenwichtige opinie te ontwikkelen. En dat gebeurt binnen scholen.

Maar het concept ‘school’ vat ik ook ruimer op, als metafoor voor het leven. Alle mensen moeten leren dat het leven oefenen is, waarbij we fouten mogen maken en waarbij we nieuwe dingen mogen uitproberen. Voor volwassenen is het vooral zaak het anders-zijn van de ander als bron van groei te ervaren. U kent de verhalen vast van de bewaarders bij de verschillende vluchtelingennoodopvangcentra, die ‘helemaal niks van die lui motten hebben’, maar er na een paar dagen achter kwamen dat het ‘toch wel toffe peren zijn’. Laat mensen deze ervaringen opdoen, en laat deze ervaringen zich via verhalen verspreiden door de samenleving. Dit is de verantwoordelijkheid die ieder individu kan nemen. Dan is het aan de politiek om voorwaarden te scheppen die de radicale onzekerheid bij mensen wegnemen: terug naar good governance en weg van een opportunistische manier van politiek en economie bedrijven. Onze Nederlandse cultuur wordt van oudsher gekenschetst door tolerantie, openheid en directheid. Ik wil afsluiten met een oproep om dat dan het continuüm van onze cultuur te laten blijven, op basis waarvan wij veerkrachtig met veranderingen om kunnen gaan, en zo de culturele identiteit van alle Nederlanders staat en zich blijft vormen. Zo ontstaat de vruchtbare grond voor echt ‘zelf denken, samen leven’.

Dan nu, dit was mijn analyse van de uitdagingen waar wij als mensen die met elkaar hebben te leven mee te maken hebben. Ik heb getracht te duiden welke processen er in de samenleving spelen, die maken dat er een cultuur is ontstaan van egoïstisch denken en individueel leven. Ook heb ik mijn persoonlijke antwoord op de vraag hoe wij richting een samenleving van zelf denken, samen leven kunnen gaan proberen te geven. Ik zoek het in de richting van goed onderwijs waarin we zelfstandig leren denken en in contact komen met het anders-zijn van anderen, en participatie via vrijwilligerswerk en werk waarin ontmoetingen met het anders-zijn van de ander worden gestimuleerd en aangegaan door het individu. Mijn vraag aan u is: wat is uw idee van de bron van goed en zinvol ‘zelf denken, samen leven’?

 

Deze lezing is uitgesproken op 13 december 2015 in het teken van de Midwinterlezing 2015 van het Humanistisch Verbond in Zutphen. De tekst is gebaseerd op:

Alma, H. en Smaling, A. (red.) (2010). Waarvoor je leeft. Studies naar humanistische bronnen van zin. Amsterdam: SWP

Badiou, A. (2010) Tweede manifest voor de filosofie. Kampen: Ten Have

Biesta, G. (2012). Goed onderwijs en de cultuur van het meten. Ethiek, politiek en democratie. Den Haag: Boom Lemma

Butler, J. (2006). Precarious life. The powers of mourning and violence’. Londen: Verso

Darwin, C. (2003). The Origin Of Species. 150th anniversary edition. New York: NAL.

Duydam, J. (2011) De liefde van Alcestis. Over relationele weerbaarheid en hermeneutische levensbeschouwing. Amsterdam: Uitgeverij SWP

Kate, L. ten (2015). Seculariteit en sacraliteit. Over de complexe relatie tussen humanisme en religie. Brussel: VUB Press

Kunneman, H. ( 2009). Voorbij het Dikke Ik. Bouwstenen voor een kritisch humanisme. Deel 1. Amsterdam: SWP

Kunneman, H. (2008). Moraliteit in relaties en opvoeding. Een kritisch-humanistisch perspectief. In G. Jennes (ed.). Zin in gezin. Kan levensbeschouwing de duurzaamheid van relaties veranderen (pp. 59-81). Tiel: Lannoo

Timothy Snyder / Door Angela Wals – De Volkskrant – zaterdag 24 oktober 2015 – ‘Een nieuwe Holocaust is denkbaar’. P. 6 – 7 .

Trompenaars, F. en Woolliams, P. (2002) A new framework for managing change across cultures, Journal of Change Management, 3:4, P. 361-375.